Novatec
 

Pierre Lauffer

 

PIERRE LAUFFER: tussen traditie en vernieuwing

 

 

     

 

door Henry Habibe

 

Pierre Lauffer leefde van 1920 tot 1981. Zijn literaire werk omvat zowel proza als poëzie. Zijn prozawerk begint met het verhaal Carmen Molina (1942) en zijn poëtisch werk begint met Patria (1944). Wat het prozawerk betreft bestaat dat voornamelijk uit korte verhalen. Voorbeelden van korte verhalen vinden we o.a. in de bundels: Wiri-wiri en Njapa (allebei uit 1961). In 1968 verscheen een iets langer verhaal, Seis Anja kaska bèrde (Zes jaar groene schil), waarin Lauffer verhaalt over de tijd dat hij politie-agent was. In 1969 verscheen zijn bundel korte verhalen Kuenta pa kaminda, waarvan Ju pretu (zwart kind) en Petra su kas (Petra's huis) de beste novellen zijn. Ik zal me bij deze beschouwing uitsluitend bezighouden met Lauffers poëtisch werk. De thema's die Lauffer in zijn poëzie gehanteerd heeft zijn velerlei. Ik heb ze in het verleden proberen te inventariseren en opgetekend in een kleine studie Un herida bida ta (1994). Ik kies voor deze bespreking voor de thema's 'vaderlandsliefde' en 'melancholie', die bij Lauffer vrijwel voortdurend als leitmotief aanwezig zijn. Daarbij zal ik vooral letten op de wijze waarop deze thema's tot uiting komen. Die thema's hebben immers bij hun ontstaan een bepaalde poëtische vorm gekregen. Met deze min of meer intrinsieke benadering hoop ik tevens aan te kunnen tonen welke plaats Lauffer binnen de literatuur van Curaçao inneemt. Daar slaat de titel van deze bespreking ook op.

 I. PATRIA

Deze bundel dateert weliswaar uit 1944, maar de gedichten daaruit waren lang daarvoor geschreven. Jules de Palm, een boezemvriend van Lauffer die de dichter vanaf zijn jeugd had meegemaakt, vertelt hierover:

 Wanneer zijn eerste bundel 'Patria' verschijnt, heeft hij  [Lauffer] vele van deze gedichten reeds jaren in een ver-  geeld schoolschrift bij zich gedragen en als een kind aan  zijn brede borst gekoesterd. (1)

 Indien de gedichten in een schoolschrift waren opgeschreven, dan zal het er inderdaad 'vergeeld' hebben uitgezien tegen de tijd dat Luis Daal, een andere vriend van Lauffer, hem aangemoedigd had om ze uit te geven.

 Lauffer dacht er zelf niet aan om ze te publiceren. Omstreeks 1943 had Daal hem verweten:'Je onthoudt ons volk iets waar het recht op heeft' (2).  Wat de vorm van deze gedichten betreft, merken we dat er een streven is om rijm toe te passen. Dat gebeurt dikwijls door 'volrijm' en soms door 'halfrijm'.  Een voorbeeld waarbij beide toegepast worden is de volgende strofe uit 'Mama':

 Mama, dia mi ta muri,  Tenemi den bo brasa,  Pa lágrimanan ku ta kuri  Di bo wowo muha mi garganta,  Pa mi por duna mi suspiro  Ku bo nòmber na mi boka,  Ku último kansion di mi lira  Ora di bida mi ta troka. (3)

 Bij het 'volrijm' rijmen zowel klinkers als de medeklinkers (muri-kuri, boka-troka), terwijl bij het 'halfrijm' slechts de klinkers rijmen. (brasa-garganta)  Bij 'suspiro' en 'lira' vindt er 'iets' plaats waardoor er bijna sprake is van een volrijm.

 In het gedicht 'Na un trupial' wordt bovendien het metrum in acht genomen. De herhaling van achtereenvolgende werkwoorden bestaande uit twee lettergrepen (kanta, basha, benta, tenta) terwijl ze het accent op de eerste lettergreep hebben, heeft tot gevolg dat er een bepaalde cadans ontstaat. De aansporing komt hierdoor duidelijk tot uitdrukking. Die bestaat hierin dat de troepiaal zijn lied zou moeten aanheffen. Tevens spelen het rijm en de alliteratie een grote rol. De eerste strofe - een vertaling valt heel moeilijk te geven - luidt:

 Kanta! Kanta trupial  Riba kabes di un datu.  Basha, benta  Melodia triunfante.  Kanta, tenta  Kantor elegante  Kualkier koro selestial.

 Zodoende imiteert Lauffer bij het creëren van zijn gedichten het poëtisch procédé dat wij ook aantreffen bij de Nederlandse 'Tachtigers', zoals Guido Gezelle, Jacques Perk, Willem Kloos, Herman Gorter, etc. Een voorbeeld van dit procédé vinden we in de eerste versregels van 'Het schrijverke' van Gezelle:

 O krinklende winklende waterding,  met 't zwarte kabotseken aan,  wat zien ik toch geren uw kopke flink  al schrijven op't waterke gaan!

 Ook hier spelen metrum, rijm en alliteratie een rol. Maar even goed kunnen wij hierbij denken aan de Spaans-Amerikaanse dichters van het zgn. Modernismo (1882-1912). Ook zij plachten in hun poëzie het metrum en het klankaspect van de woorden te benadrukken, hetgeen een navolging is van de Franse Symbolisten, waarvan Paul Verlaine een van de bekendste was. Deze onderstreepte de 'muzikaliteit' van de verzen met de woorden:`de la musique avant toutes choses!'. Zo stromen de volgende verzen van Julián del Casal (Cuba; 1863-1893) - bij het hardop lezen - als een voortkabbelende beweging:

 De la Luna al claro brillo  iría al Río Amarillo  a esperar  la hora en que, el botón roto,  comienza la flor de loto  a brillar (…)

Het valt tevens op dat hier, afgezien van de klank-aspecten, ook een nieuwe opbouw van de versregels te vinden is. De versregels hebben niet meer eenzelfde aantal lettergrepen. Ook in het gedicht 'Na un trupial' van Lauffer zien we een dergelijke zinsopbouw (zie geciteerde strofe)

 Als het echter om het thema van vaderlandsliefde gaat, dan treffen we dat aan in het gedicht waarmee de bundel opent: 'Korsou'. Hierin vinden we alle hiervoor gesignaleerde 'technische' elementen terug.  Bekijken we even de eerste strofe, dan is het rijm het eerste wat in het oog valt. Niet alleen in het oog, maar ook in het oor, want het gaat om de klank van de woorden: 'baranka' rijmt met 'tranka', 'tira' met 'bira' en met 'mira', maar óók met 'pia' (halfrijm). Tenslotte rijmt 'kansa' met 'alabansa', terwijl deze beide woorden op hun beurt assoneren met de eerdere 'baranka' en 'tranka'. Hier volgt de eerste strofe:

 Kaminda tin baranka  Te na unda bista tira  Ku tèrko, tranka,  Nan ta bira  Kara mira  Ku despresio,  Olanan kore kansa  Na nan pia  Den etèrno alabansa,

 Deze rijmende woorden zorgen voor klankexpressie. Daartoe draagt ook bij het rijm dat aan het begin van de woorden te vinden is: 'tèrko, tranka'. Maar wat nog meer opvalt is de ritmische beweging die mede door het enjambement verkregen wordt. Hier treedt er geen rust op bij elke twee versregels. Een vergelijking moge dit duidelijk maken.

 Van Willem Kroon (1886-1949) zijn een paar gedichten bekend die ook vaderlandsliefde tot thema hebben. Zijn in 1937 in La Union verschenen gedicht 'Curaçao' was een bijdrage in een discussie omtrent de tekst voor een volkslied. Daarvan luiden de eerste versregels:

 Den di Lamá Caribe ta sosega tranquilo  Un isla muy chiquito, di grandi importancia  (…)

Als we deze versregels scanderen dan zien we dat hier de 'jambe' als metrum werd toegepast. Dat is hetzelfde metrum dat Frater Radulphus rond 1900 heeft gebruikt bij de compositie van zijn 'Cantica di Corsow', dat als volgt aanheft:

 Den tur nacion nos patria  Ta poco conocir  Den di laman inmenso  E ta para scondir  (…)

Ook hier werd de jambe aangewend, al wordt er soms daarvan afgeweken. De toepassing van de jambe door de Nederlandse frater is niet te verwonderen. Dat is immers ook het metrum dat ten grondslag ligt aan het Nederlandse volkslied (het 'Wilhelmus'). Sindsdien werd in de Papiamentstalige poëzie, over het algemeen, de jambe gehanteerd (4). Kroon heeft nog meer teksten (voor een volkslied) op zijn naam staan. Ook uit 1937 zijn 'Himno pa Corsou (I)', 'Corsou (II)' en 'Isla di Corsou (III)'. Daarin heeft hij de alexandrijnen (14-lettergrepige versregels) van zijn gedicht 'Curaçao' gewijzigd in 7-lettergrepige versregels. Ik neem als voorbeeld een strofe uit 'Corsou II' om aan te tonen wat het verschil is - muzikaal gesproken - tussen zijn tekst en 'Korsou' van Lauffer. De derde strofe uit 'Corsou II' van Kroon luidt:

 (…) Su nomber atractivo  Den mundo ta gabá;  Un mama pa strañero  Madrasa pa su yiu.  M' un dia pa derecho  L' e sirbi pa nos tur  Un mama berdadero  Pa cria tur su yiu.  (….)

Metrisch gesproken is dit te vergelijken met de eerste versregels van het Nederlandse volkslied:

 Wilhelmus van Nassaue  Ben ick van Duytschen bloet.  Het Vaderlandt getrouwe  Blijf ick tot inden doet.

 In deze 7-lettergrepige versregels is de jambe goed herkenbaar. Daarbij komt dat er na de tweede versregel een korte pauze optreedt. Het strakke ritme dat hierdoor ontstaat hoort men ook in de versregels van Kroons 'Corsou-II'. Heel anders echter is het ritme dat wij ervaren in Lauffers 'Korsou'. In dit gedicht herkennen we weliswaar - globaal gesproken - de jambe, maar er treedt geen pauze meer op na de tweede versregel. Door het enjambement dat na 'tranka' inzet, vloeien de versregels zonder pauze door naar de volgende versregels. De 'stroom' woorden houdt pas op bij '…Den etèrno alabansa'. En zo gaat het ook bij de tweede strofe:

 Kaminda tin kadushi  Ku ta buta bientu kanta  Himno dushi  I ta lanta,  Para wanta  Siglonan pasa  Solo sigui kima  Riba brasa  Di lugá ku mi ta stima,

 Hier treedt weer een alliteratie op en wel in 'buta bientu', waarbij de twee medeklinkers (de ' b's ' aan het begin) rijmen. Zo bestaat het gehele gedicht (in totaal zes strofen) uit een stromende welluidendheid die ons aan een waterval van klanken doet denken. Opmerkelijk is ook de opbouw van de versregels. Die zijn niet alle even lang (verg. 'Na un trupial'). Wat verder opvalt is dat iedere strofe telkens begint met het woord 'Kaminda'(= waar…). Iets dergelijks komen wij tegen in het lied 'Mijn Vaderland', dat veel eerder bestond. Ook dit lied bestaat uit een aantal 'verzen' waarbij iedere vers met het woord 'Waar' begint en het geheel eindigt op 'Daar ligt mijn vaderland……'. De eerste verzen daarvan luiden:

 Waar men op de wereldkaart Vindt d'Antillenzee,… Waardoor 't groote Amerika Wordt verdeeld in twee  Waar der tropen zonnegloed Weert de winter kou,… Daar ligt mijn vaderland, 't Kleine Curaçao ' (5).

 Het is een structuur (herhaling van 'waar….' gevolgd door 'daar…') die wij óók tegenkomen in het bekende gedicht 'Mei' (1889) van Herman Gorter. Analogisch aan het lied 'Mijn Vaderland' eindigt Lauffers 'Korsou' aldus:

 Kaminda ku historia  A forma den siglonan pasá  Armonia,  Pas sonriendo  Den tur hende  I un pida  Di shelu a baha abou  Den nos bida,  EI TA MI PATRIA KORSOU !

 Deze structuur en klankrijkdom komen wij niet tegen bij de dichters vóór Lauffer. Het is een vernieuwing van de traditionele Papiamentstalige poëzie.. Het monotone karakter van de verzen met telkens een pauze na elke twee versregel bij de navolgers van Frater Radulphus werd door Lauffer vervangen door een welluidendheid die gepaard gaat met een grote ritmische vrijheid. Lauffer lijkt zich bewust te zijn geweest van wat Edgar Allan Poe (1808-1849) zich als poëtisch doel stelde: 'the rythmical creation of beauty'.

 II. KUMBU

 In 1955, tien jaar na Patria, verschijnt de tweede bundel Kumbu (6).  Hierin wordt in nog sterkere mate uiting gegeven aan vaderlandsliefde: de eigen geschiedenis, de eigen cultuur, liefde voor de zwarte vrouw, etc. Verder komt ook een soort levensbeschouwing om de hoek kijken.  De liefde tot zijn geboorteland heeft Lauffer een paar gedichten in de pen gegeven die als 'historisch' beschouwd kunnen worden. In 'Keho di katibu' (het klagen van de slaaf) worden twee werelden tegenover elkaar gesteld: die van de plantagehouder en die van de slaaf. Het lijkt alsof de dichter hier uiting wilde geven aan zijn afschuw van de slavernij. Dichter bij de eigen tijd is het thema dat in 'Quo vadis' (waar ga je heen?) gehanteerd wordt. De dichter betreurt hier het feit dat tijdens de Tweede Wereldoorlog bepaalde Curaçaose vrouwen zich 'ophielden' met de op het eiland verblijvende Amerikaanse soldaten. Hij trekt het zich erg aan en schijnt - nogal sentimenteel - het gebeuren als de ondergang van Curaçao voor te willen stellen. Om van de situatie een beeld te krijgen moge het volgende citaat van Jules de Palm dienen. Als een getuige van dit sociaal fenomeen zet De Palm in zijn boek over 'Julio Perrenal' het volgende uiteen:

 Het stadsbeeld van Willemstad werd na februari 1942  beheerst door de Amerikaanse soldaten, die ons kwamen  beschermen (…) Deze werden letterlijk en figuurlijk met  open armen ontvangen tot misnoegen van de Curaçaose  jongemannen, die tot de trieste ontdekking kwamen, dat  hun zo hoog aangeslagen charme gedevalueerd bleek tot  nul komma nul (…) (7)

 En met zekere humor vervolgt hij:

 Terwijl de meisjes onze schutters geen blik waardig acht-  ten, zagen zij in iedere geuniformeerde Amerikaan een  Robert Taylor of een Clark Gable (…) .

Zich op dit gebeuren baserend spreekt Lauffer in 'Quo vadis' over de 'schaamteloze beulen die mijn grond gemarkeerd hebben met zoveel vlekken van leed'. Hij laat niet na te spreken van zijn 'woede' ('rabia'). De dichter is verontwaardigd en het lijkt alsof het gebeuren het begin van de ondergang van Curaçao betekent:'Curaçao, lief land van mij/ hoe diep moet je nog gaan?/ Hoe lang moet ik nog wachten/ tot alle bloemen zijn gevallen?'(8). De verontwaardiging van Lauffer komt in deze bundel op verschillende plaatsen tot uiting. In weer een ander gedicht, getiteld "R", schijnt hij het gemunt te hebben op een groep mensen die hij uitmaakt voor 'vervloekte Judassen van de gemeenschap'. Hij zegt dat hij 'het beu is onze wonden te verbergen' ('Nos ta fadá di skonde nos herida…'). En iets verderop:'God geve mij de kracht / om mijn twee handen om zijn keel te sluiten.…'. Wat opvalt is dat de woorden niet meer gekozen worden om hun klankaspect, maar om hun zeggingskracht en de intensiteit van hun betekenis-aspect.  Als hij het nu over de liefde voor zijn eiland heeft, dan wordt het niet uitgedrukt aan de hand van allerlei klankrijke en rijmende woorden, maar door middel van de gevoels-waarde van die woorden. Hij drukt nu zijn 'woede' uit en heeft het over de haat die anderen bij hem gewekt hebben. In 'Mi tera' (Mijn land) klinkt zijn stem heftig:

 (…)

Mijn wortels voeden zich aan haar borst  En teren op het bloed en op de zon  Die haar leven getekend hebben.

 Door het verdriet ben ik gerijpt  En gelouterd door de vlammengolf van haat,  Gestookt door een stelletje onverlaten.

 Als ik dus mijn stem verhef  En uitschreeuw:'Diefstal!'  Dan is het omdat dit stukje land  Van mij is! (9)

 Was de houding van de dichter eerst ('Korsou' in Patria) beschouwend en afstandelijk, waarbij een beschrijving gegeven werd van de natuur, het landschap en de geschiedenis, nu spreekt hij over zijn innige band met het eiland: zijn 'wortels voeden zich aan haar borst'. Er is nu sprake van vijandige elementen waartegen het eiland beschermd moet worden. En de dichter doet dat met een zekere heldhaftigheid. Het betreft nu niet meer - structureel gesproken - een soort kapstok waaraan welluidende woorden opgehangen worden. De dichter is nu overgegaan op het vrije vers en drukt zich uit aan de hand van een vrij krachtige taal.

 In Kumbu is er verder een gedicht dat 'Korsou di nos' (Óns Curaçao) als titel heeft. Ook hier gaat het niet om klankrijke en rijmende woorden. De dichter kent geen twijfel (aarzeling) meer met betrekking tot de kracht waarmee hij de dingen zegt: 'Er bestaat geen kracht - zo stelt hij - die zijn ziel zou kunnen 'breken'! ('no tin forsa pa kibra un alma'). Hierbij gaat de vertaling van dit gedicht (het heeft een nogal strak ritme, hetgeen in de vertaling niet tot uiting komt):

 Uit het diepst van ons hart verheffen  Wij onze stem voor ons Curaçao,  Wij zingen om in alle grootheid  Ons vaderland te verheerlijken.

 Ons gevoelsleven is verborgen  Voor hen die ons niet begrijpen  Maar wij, landskinderen  Wij leven met ons ideaal.

 Er bestaat geen kracht om een ziel  Te breken die uit stilte omhoog komt  Curaçao van ons, je zult gauw  Opgemerkt worden tussen de naties  Als de ster van onze toekomst. (10)

 We merken dat de stem nu niet meer zo kalm en sereen klinkt als in 'Korsou' uit Patria.

 Ik zou hier graag één van de negen gedichten uit een verhalenbundel van Lauffer (Raspá; 1961) willen uitlichten, omdat het als thema heeft de liefde voor de eigen taal, het Papiamentu. Dit is ook een uitdrukking van de eigen cultuur van het eiland, zoals ook de zeer ritmische expressies in Kumbu van de typische Curaçaose muziek (tambú en tumba). Zoals deze gedichten geïnspireerd werden door de liefde tot het vaderland, zo is 'Mi lenga' (Mijn taal) ook een uiting van Lauffers 'patriottisme'. De eerste helft van het gedicht is een toespeling op de oorsprong van het Papiamentu en de tweede helft verwijst in prachtige beelden naar de kracht, de schoonheid en het vermogen van deze taal om alles te kunnen uitdrukken. Dit gedicht had een prachtig onderdeel van Kumbu kunnen zijn, indien het bestond (of ontstaan was) vóórdat deze bundel was verschenen. Hier volgt de Nederlandse vertaling:

 Mijn taal

 Mijn taal,  uit nood geboren  uit de geest van vrijbuiters,  door slavenlippen vorm gegeven,  verbeterde haar status  in de verhalen  van de zwarte yaya's

 Haar tomeloze moed  - het teken van haar wilde afkomst -  deed haar muilkorf barsten  en haar levenskracht  tilde haar op  in een wervelwind van woorden.  Haar lied is vuur  haar eenvoud kleur.  Haar woordenspel  gebruik ik om je stijf te vloeken.  Met haar ritme en vitaliteit  kan ik uit vrijen gaan.  In mijn creoolse taal  met haar pittige klanken  vertolk ik zowel vreugde als smart  en er bestaat geen enkel gevoel  waar ik mijn tanden niet in durf te zetten (11)

 Naast het optimistisch geluid dat uit deze gedichten opklinkt, komen wij andere gedichten tegen die een weergave zijn van de ontgoocheling van de dichter. In 'Desepshon' (teleurstelling), bijvoorbeeld, zegt hij dat hij, ofschoon hij alles gegeven had, toch geen vriendschap heeft ondervonden. Van zijn pessimistische visie getuigt het gedicht 'Mi kontesta' (Mijn antwoord). Hij beweert dat het leven 'alleen maar smart en pijn' te bieden heeft. Hoe je er ook mee omgaat - zegt hij - het leven is alleen maar 'een grote wonde'. En hij benadrukt:`Je tobt ermee, reinigt en verzorgt het om het vervolgens te zien groeien totdat de dood erop volgt'. In weer een ander gedicht, 'Doló dushi' (zoet lijden), vinden we de uitdrukking van een soort melancholische visie. Zo te zien wordt de vaderlandsliefde afgewisseld met thema's van strikt persoonlijke aard.  Wat de stijl betreft constateren wij dat de woorden in Kumbu niet meer om hun klank-effect gekozen worden. Er is nu een tendens om de zeggingskracht daarvan te laten overheersen. Het gaat dus om de intensiteit van hun betekenis- aspect en om hun emotionele waarde. Ze dienen niet langer om een zuiver muzikaal doel te bereiken, maar als uiting van de emoties. Door het vrije vers (over het algemeen gesproken) werd het voor de dichter mogelijk dat hij tot een grotere expressie kwam. Door de 'rijmdwang' leken de eerste gedichten soms in een bepaalde keurslijf te zijn gegoten. In Kumbu echter komen zij spontaner tot stand. Juist door het vrije vers is de dichter tot een originele en rijker beeldenspel geraakt. We treffen daar zodoende eenvoudige beeldspraak aan als 'de voering van mijn hart', 'een wonde is het leven','de as van mijn leven', etc., naast enkele hoogstandjes als 'Mijn wortels voeden zich (letterlijk: zuigen) aan haar borst', de vlammengolf van haat', 'de tailles van de zwarte wesp' (beeldspraak voor 'jonge zwarte vrouwen') en 'de grote waskom van azijn' (beeldspraak voor 'een grote hoeveelheid verbittering'), etc.

 III. KANTIKA PA BIENTU

 In de derde bundel Kantika pa Bientu (Liederen voor de Wind) ligt het accent - thematisch gesproken - niet op vaderlandsliefde. Lauffers poëzie ontstijgt hier het strikt lokale. De gedichten hebben - in tegenstelling tot de tweede bundel - een meer verhalend karakter gekregen. De anekdote is nu een belangrijke bouwsteen geworden. Er wordt hier en daar weliswaar een lyrische stemming gecreëerd, maar dat gebeurt aan de hand van een prozaïsch aandoende taal.  Er vindt veel minder concentratie plaats, zoals gebruikelijk bij poëzie. Daardoor zijn de gedichten nu soms langer geworden. Dat neemt niet weg dat de taal beeldend blijft. Er zijn ook hier weer prachtige poëtische kunstgrepen en er is ergens zelfs een sinesthesie te signaleren. We zouden kunnen spreken van een narratieve of vertellende stijl. De thema's zijn nu, over het algemeen gesproken, teleurstelling, bezwaard geluk, liefde voor de natuur, nostalgie en melancholie. Onder 'melancholie' wordt hier niet zomaar 'teleurstelling' of 'ontgoocheling' verstaan en evenmin een simpel heimwee naar het verleden. Een groot aantal gedichten spreekt van verdriet en weemoed waarbij de dichter aan zijn dood denkt of zich wenst terug te trekken uit de wereld van de mensen. In 'Di tur esnan ku den kaminda grandi' (Van al degenen die op de grote weg) is hij bedroefd omdat zoveel bekenden allang verdwenen zijn. Hij is immers alleen achter gebleven. In weer een ander gedicht, 'No fada si mi sigui ripití'(Word niet boos als ik maar blijf herhalen) bekent hij, berustend, dat hij uit ervaring de mensen moet mijden. In 'Nokturno' wordt zijn nostalgie (het gemis van zijn vroegere vrienden) op vrij lyrische wijze beschreven. Hij maakt een nachtelijke wandeling en wordt gekweld door gruwelijke gedachten. Wanhopig verlangt hij naar de tijd dat hij samen met zijn vrienden gedichten hardop reciteerde. Maar pas in 'Mi ta stima e puñá di mi ruman melankolia' (Ik bemin de dolk van mijn zuster, melancholie) komt de ware betekenis van melancholie tot uiting, zoals Lauffer die altijd heeft opgevat. In Kumbu was er ook al sprake van en wel in het kort gedicht, getiteld 'Doló dushi' (Zoete pijn), waarin de dichter spreekt over zijn 'lijden'. D.w.z., een 'zoet' lijden, zoals ook in de titel staat. In dit gedicht wendt hij zich tot zijn medemensen en smeekt:'Ontneem mij niet het genot om te lijden!'. Het betreft het thema zoals wij het ook bij de Nederlandse dichter Jan Slauerhoff tegenkomen: het lijden als iets heerlijks ervaren en het zichzelf wondend behagen in het vergaan. Het genot dat de melancholie hem altijd verschafte, heeft Lauffer in `Mi ta stima e puñá di mi ruman melankolia' in prachtige beelden beschreven. Had de dichter het in 'Ausencia' (Patria) alleen maar over zijn graf als 'een toestand van rust' en over het zich voelen als 'een door de wind losgerukt blad', nu wordt uitvoerig ingegaan op het genot ervan. Ik citeer de vertaling in het Nederlands:

 Ik bemin de dolk van mijn zuster, melancholie,  die ik blindelings volg tot de plek  waar ik aan mijn hersenstam  bloemen met zwarte blaadjes zie uitbotten:  zwarte, droeve, fluwelen blaadjes,  elk versierd met tranen en druppels bloed,  en opstijgend met de wervelwind  overgaan in een zwerm fregatvogels  tegen een loden hemel.

 En gelaten ga ik liggen, met ontblote borst,  volkomen helder nog,  om zachtjes aan doorboord te worden,  terwijl ik bedolven word  onder een regen van zwarte bloemen  en het gekrijs van de fregatvogels  door de stilte van de mondi snijdt.

 Een ademtocht word ik,  een wolk, ijle rook  die het lijk van zijn smalle schaduw  door droog, rotsachtig landschap sleurt.  In een desolate vlakte zal ik mij bouwen  een kerkhof van herinneringen,  waar ik elegieën zonder refrein kan gillen.  Melancholie, geliefde, zuster en meesteres,  welke vrouw kan jouw charme evenaren? (12)

 Was het gedicht 'Doló dushi' gebaseerd op het simpele beeld van een roos, waarvan de dichter zei dat hij die 'uit de as van zijn leven opgegraven had', in het langere gedicht uit Kantika pa Bientu is het beeldenspel nog rijker geworden. De morbide sfeer die hier gecreëerd wordt komt tot stand aan de hand van beelden als 'zwarte bloemen', 'loden hemel' en 'een ijle rook die het lijk van zijn smalle schaduw door droog en rotsachtig landschap sleurt…'. Heel sterk is, overigens, het beeld van 'het bouwen van een kerkhof van herinneringen'. Terwijl de `ik' in 'Doló dushi' een soort beroep deed op de voorbijgaande mensen, richt hij zich nu tot zijn innerlijke melancholische toestand, die hij zijn 'geliefde zuster en meesteres' noemt en wel met het verzoek om hem met haar dolk te doden. Zoals de eerder opgegraven roos uit het tot as vergane leven als een genot ervaren werd, zo worden nu op min of meer paradoxale wijze het leed en de smart als een toestand van gelukzaligheid voorgesteld.

 IV. LÁGRIMA I SONRISA

 De vierde dichtbundel Lágrima i sonrisa (Traan en glimlach) verscheen in 1973. Hij bevat, behalve gedichten, ook korte verhalen, die in de loop van de jaren zestig geschreven zijn. Daaronder bevindt zich o.a. een vrij lang gedicht waarin de hartstocht van de dichter voor een zwarte vrouw uitgestort wordt. ('Na morto di Zenobia'; bij de dood van Zenobia). Het zijn herinneringen aan lang vervlogen tijden. In de amoureuze cyclus 'Rosea den shinishi' (Ademtocht in as) betreft het geen zwarte vrouw. Het gaat nu om een jonge vrouw met een iets lichtere huidkleur, die ooit in de droom van de dichter verscheen en nu probeert deze zijn fantasie in werkelijkheid om te zetten. Het behandelt een liefdes-affaire met hier en daar de typische hartstochtelijke ontboezemingen. Verder bevinden zich in deze bundel een aantal gedichten gewijd aan de geloofscrisis van de dichter. De thema's vaderlandsliefde en melancholie, die voor deze bespreking gekozen werden, komen in deze bundel niet voor.

 V. DE LAATSTE GEDICHTEN

 Deze zijn in 1979, twee jaar vóór de dood van Lauffer, in het tijdschrift Kristòf verschenen. Het zijn voornamelijk herinneringen aan vroeger, toen hij een zeker geluk kende. Heimwee naar vroegere dagen! Er is nergens sprake van het 'zoete lijden', zoals dat even in Kumbu om de hoek kwam kijken. En - nog later - in Kantika pa Bientu. Ook zijn eeuwige afschuw tegen hypocrisie doemt hier weer even op. Hij beseft echter dat hij daartegen niets meer kan doen. In één daarvan geeft hij - met een zekere ironie - toe:'Ik begrijp wel dat het clowneske spel bestaat uit een rondhuppelen in het leven zonder enige bevrediging'. Ergens schijnt hij ook - heel subtiel - afscheid te willen nemen. Er is één gedicht dat op de actuele politieke situatie betrekking heeft. Dit lijkt me wel van toepassing bij deze bespreking. Het begint met de vaststelling van zijn ongenoegen:

 Ik heb genoeg  van het gedoe,  van het geruzie en lawaai,  zo dof, zo ronkend  in de verte.. (13)

 En het eindigt met een verklaring van zijn woede:

 Kijk de groten van je land  eens zwelgen  in hun eigen vuile streken:  ze plukken je kaal  tot je niets meer hebt.

 Hier wordt stelling genomen tegen een groep uitbuiters. Was de felheid van de dichter tegen een bepaalde groep reeds naar voren gekomen in 'Mi tera' (Kumbu), nu betreft het een stellingname die iets scherper geformuleerd is. De groep die hij in Kumbu hekelde, werd 'sinbergwensa' (schaamtelozen of onverlaten) genoemd. En de dichter sprak toen van 'diefstal', waartegen hij in opstand kwam. Maar wie hij daarmee precies bedoelt, dat zegt hij niet. Veel later, in het zojuist geciteerde gedicht, spreekt hij van 'de groten van je land die zwelgen in hun vuile streken'. Op wie heeft hij het hier gemunt? Daar kunnen wij iets meer zekerheid over krijgen door te letten op Lauffers woorden uit een interview dat in 1976 plaats vond. Uit die tijd dateert wellicht het bewuste gedicht. In dat interview nu kwam duidelijk naar voren wat een bewogen mens Lauffer was. Een mens die zijn hartekreet uitte. Daarin zei hij o.a.:

 De politiek drijft! Ze hebben geen flauw  benul waar ze heen gaan. Ik betwijfel of  er enige planning is. Overal heerst een  'laissez faire laissez aller-mentaliteit'. (14)

 Het ligt voor de hand dat met de 'groten van je land' de toenmalige Curaçaose politici bedoeld wordt. Al met al kunnen wij zeggen dat het thema van vaderlandsliefde vanaf het begin tot het einde in de poëzie van Lauffer aanwezig is. De hem zo typische melancholische stemming is eigenlijk pas in Kantika pa Bientu tot zijn perfectie gekomen. Wat Lauffer in dit opzicht aan het einde van zijn leven beschreef zijn stemmingen die eerder op blijdschap duiden, op een ingetoomd geluk. De dichter is op het laatst niet werkelijk weemoedig. Van zijn taalgebruik kan gezegd worden dat na Kantika pa Bientu daarin geen vernieuwing meer optreedt. Er valt in zijn stijl niet veel nieuws meer aan te wijzen. Er is op het laatst weinig beeldspraak meer die nog blijk geeft van zijn vroegere originaliteit.

 RESUMEREND

 Als wij ons baseren op de besproken thema's, dan zien we dat er in de loop van de tijd (van 1944 tot omstreeks 1973) een ontwikkeling plaats heeft gevonden in de poëtische stijl van Lauffer. In Patria ging het - qua stijl - voornamelijk om de klank van de woorden. Het rijmen van de woorden speelt een heel belangrijke rol. Dit geschiedt aan de hand van verschillende soorten rijm: 'volrijm', halfrijm', assonantie'en 'alliteratie'. Andere poëtische elementen in die bundel zijn de vele apostrofes of personificaties. In Kumbu wordt het taalgebruik anders. Op de eerste plaats gaat het niet meer om de klank van de woorden. Er vindt een overgang plaats van het klankaspect naar het semantische aspect van de woorden. De emotionele waarde van de woorden voert nu de boventoon. Bij deze nieuwe stijl wordt ook gekozen voor het vrije vers (in plaats van de regelmatige opbouw van de versregels) en wordt de taal ook plastischer.

 In Kantika pa Bientu vindt er weer een kleine stilistische verschuiving plaats.

 De vernieuwing bij Lauffer stoelt op het feit dat er vóór hem (dus vóór 1944) geen modernistische poëzie in het Papiamentu bestond en dat híj die ingevoerd had. Maar deze vernieuwing bleef vervolgens beperkt tot de nog altijd 'conventionele' stijl die wij in Kumbu en Kantika pa Bientu gesignaleerd hebben. Dit is geenszins te vergelijken met die van de poëtische stromingen die in de jaren na de Eerste Wereldoorlog in Europa geïnitieerd werden. Zo experimenteerde de jongere generatie kunstenaars met geheel nieuwe poëtische vormen. In Spanje ontstond omstreeks 1927 het zgn. Ultraísmo, waarvan García Lorca één van de bekendste exponenten werd. In Frankrijk kwam het Surrealisme tot grote bloei en in Nederland waren eerst de Expressionisten en later de Experimentelen bezig met hun poëtische creaties, waarbij gebroken werd met de traditionele en klassieke vormen. Er heerste een geestdriftige hang naar een irrationele poëzie, waarbij getracht werd dromen te interpreteren en poëtisch te étaleren. Het impliceerde allemaal een revolutionaire ommekeer. Ook op de Spaanstalige Caribische eilanden werden deze nieuwere vormen geïntroduceerd. Zo ontstond op Cuba o.a. het zgn. Afro-Cubanismo, waarvan Nicolás Guillén de bekendste vertegenwoordiger werd. Uit het besproken werk van Lauffer zijn er geen voorbeelden te vinden die op iets van deze modernere stromingen wijzen. Een uitzondering is wel het feit dat Lauffer een paar ritmische gedichten heeft gecomponeerd waarbij het ritme van de tambú en de tumba nagebootst werd. Het is ook een feit dat Lauffer poëzie over met name de Afro-Curaçaose cultuur schreef, vergelijkbaar met wat Guillén en Palés Matos (Puerto Rico) op hun respectieve eilanden hadden gedaan. Maar er is toch ook wel een essentieel verschil. Als we goed opletten, dan zien we dat de Cubaanse son door Guillén aangewend werd om de rassendiscriminatie op zijn eiland te bestrijden. De zwarte man wordt, bijvoorbeeld, aangemoedigd om trots te zijn op zijn donkere huidkleur. Dan weer wordt hij aangespoord om in opstand te komen tegen de sociaal-economische wantoestanden. Vervolgens worden politieke situaties via de son gehekeld. Er is hier sprake van een sociaal en politiek geëngageerde poëzie, hetgeen in overeenstemming is met de avantgardistische* tendensen. Een ander goed voorbeeld hiervan is 'La Plena del menéalo' van Luis Palés Matos, waarin de Portoricaanse dichter een jonge mulattin aanspoort om alsmaar te dansen en hevig te bewegen 'opdat Uncle Sam zich eraan ergert en kwaad wordt'.

 In de poëzie van Lauffer gaat het - in dit opzicht - practisch altijd om de zwarte vrouw. De man doemt daar niet op. Het betreft hier liefdes-poëzie, waarin hartstochtelijke ontboezemingen jegens de vrouw plaats vinden. Daarin gaat het er niet om de vrouw aan te sporen om voor haar rechten op te komen. Lauffer heeft in zijn poëzie geen politiek of sociaal doel voor ogen. Om deze reden kunnen wij dan ook niet spreken van een algehele vernieuwing. Lauffers poëtisch werk beweegt zich tussen twee polen: traditie en vernieuwing. Er is bij hem zeker een tendens om op te komen voor de eigen taal en cultuur, maar de wijze waarop dat gebeurt is niet avantgardistisch, zoals bepaalde dichters uit de jaren twintig en dertig op Cuba en Puerto Rico. Bij Lauffer betreft het in het algemeen een poëzie waarvan hij het thematische karakter zelf als volgt heeft aangeduid:'Word niet boos als ik steeds herhaal hoe graag ik door de mondi dwaal om van de natuur en haar orkest te genieten'. Ook in zijn laatste gedichten (aan het eind van zijn leven) bleef hij zijn toevlucht zoeken in zijn herinnering aan vroegere dagen. Het is een poëzie waarin het strikt sociale ontbreekt. Lauffer behoort in dit opzicht tot de 'zuivere dichters', om een term van A. L. Sötemann te gebruiken (15 )    Henry Habibe

 ----------  1. Jules de Palm, 'Letterkunde in de Nederlandse Antillen in het Papiaments';  in Watapana, Nijmegen, juli, 1968  2. ibid.  3. Geciteerd uit de tweede editie (1985) door Fundashon Pierre Lauffer.  Ook de andere citaten uit Patria zijn uit deze editie.  4. Een uitzondering hierop vormt 'Curaçao ta nos patria' van Jozef S. Sint Yago,  die ook aan de 'Concurso di Himno pa Corsouw' had meegedaan (La Union, 1937)  5. Geciteerd uit Ala Blanca, Curaçao, 7 februari, 1923; Deze tekst heeft veel overeen- komst met het Limburgs volkslied dat in 1909 door Gerard Krekelberg geschreven werd.  6. Dit woord betekent 'dwaallichtje; vonk in de nacht'. Volgens Elis Juliana:'het mysterieuze licht dat als fosfor voortkomt uit de botten van de vroegere slaven (zie: Flor di Datu, Curaçao, 1956; gedicht 'Historia di mi bieuwnan').  7. Jules de Palm, Julio Perrenal, dichters van het Papiamentse lied, De Bezige Bij, Amsterdam, 1979; p.48  8. Nederlandse vertaling door Fred de Haas  9. Nederlandse vertaling door Henry Habibe  10. Nederlandse vertaling door Henry Habibe  11. Nederlandss vertaling door Igma van Putte  12. Nederlandse vertaling door Igma van Putte en Henry Habibe  13. Nederlandse vertaling door Fred de Haas  14. Zie Opinion, Synode Prot. Kerk, Curaçao, mei 1976  15. Zie: A.L. Sötemann, Over poetica en poëzie, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1985; pp.57-76  *) De Amerikanen spraken lang van 'experimental poetry', terwijl in Europa de term 'avantgar- distische poëzie' gebruikt werd.

 

 Henry Habibe (1940), studeerde Spaanse Taal en Letterkunde en werkte van 1971 tot 1977 als docent Spaans en Papiaments op Aruba. Hij promoveerde in 1985 op een dissertatie over sociaal engagement in de Afro-Antilliaanse poëzie van Cuba en Puerto Rico. Hij richtte in 1968 het tijdschrift Watapana op. Hij publiceerde in Antilliaanse dagbladen (Amigoe en Beurs). Van hem verschenen poëziebundels Aurora (1968), Kere Sentenchi (1980), Yiu di tera (1985) en Vulkanisch samenzijn (2008). Hij schrijft zowel in het Papiaments als in het Nederlands. Habibe is lid van de adviesraad van de Werkgroep Caraïbische Letteren.    _______________________________________________________________________________________________________________________________________

© Werkgroep Caraïbische Letteren. Overname van teksten en foto’s slechts onder vermelding van bron: Website Werkgroep Caraïbische Letteren. Aan de informatie op deze website kunnen geen rechten worden ontleend. 

 


  StatCounter - Free Web Tracker and Counter